Stilte.
Een gestrekt klapwieken.
Nog hoor ik het vliegen van de wilde ganzen, 
die hoog boven Zweden een kind meevoerden.
Nog voel ik mijn verlangen om mee te gaan.
Bij de ganzen te horen. 

De stilte van de wijde lucht.
De jaren in dagen op aarde;
een lappendeken van groen en blauw.
Met naden van zwart.

In stilte kijk ik ondersteboven terug.
Hoe de zon en de zee bliksemend opensprongen,
en ik mij langzaam recht overeind zette.
Ik heb gehoord dat ik heb gezegd, in een huiverend donker beven:
Leven.

De stille oneindige getallen.
Vervormde figuren. Vreemde talen.
Natuurwetten. En natuurlijke.
Wat aarde is en wat mens.
Hoe dingen kapot gaan en helen.
Of gerepareerd worden. 

Hoe het lichaam de kloof dicht.

Schaduwen van grijs.
Gebouwen en mensen verlaten.
Dolen. En vinden.
Het asfalt nat van de regen,
in warm straatlantaarnlicht.

Ganzen zoeken.
In alles en op elke plek.

In de stilte ontworteld zijn, of losgeslagen.
Schuilen bij haardvuur. Een kamp opslaan.

Een boerderij in de mist.
Het bos helt over het zandpad in de nacht.
Gegrepen worden en gedreven.
Verslonden door eigen kolen, 
en weer stijgend uit as door vuur.

Een vluchtende adelaar geluidloos zwevend,
gaat zo ver mogelijk.
Alleen.

Stilte.
De horizon kantelt als ik hem nader.
En de stormwind legt zich neer.
Ben ik golf? Of zee?
Of slechts het witte zeil?

Een scheepsarts sterft aan land.
Een dichter vergaat in de golven.

Ik sta op een stenen eiland in de zon,
haar rotsen als naalden omhoog.
Ze slaan een kantwerk van schuim uit de golven,
en ik kijk de bloedrode avond in,
over het blauw van de tijd.

Een zilvergrijs was de steen die ik raapte,
als de schubben van een vis.
Dof klonk hij toen ik hem neerlegde,
an de andere kant van de toekomst.
In een houten kist.

Stilte.
De hemel leeg.
De sterren en de maan boven het strand.
Ik luister naar het niets, en hoe lang dat duurt.
Het tikken, het verstrijken, en de hele uren.
Zwijgend, en lang.

Een zacht vallen als ik opsta.
As op zand. Het vuur bijna uit.
Veren in verbleekte kleuren.
Maar met mijn ogen dicht zie ik een vervlogen vleugelslag.
Zwart.

Een geluid als ademen doorbreekt de stilte.
Het trage klapwieken van een droom.
Het ruisend heen en terug van de werkelijkheid.
Het verbinden wat alleen is, en het opvliegen naar boven.
Een wolk vormen. Een paar.

Hoger stijgen.
Het zwart het silhouet van kleur.
Het verlangen het bewegend weten.
Loskomen door omsloten te worden.
Doen wat niet denkbaar is.
Wel maakbaar.

Stilte.
Een gestrekt klapwieken.
Nog hoor ik het vliegen van de wilde ganzen, 
die hoog boven Zweden een kind meevoerden.
Nog voel ik mijn verlangen om mee te gaan.
Bij de ganzen te horen. 

De stilte van de wijde lucht.
De jaren in dagen op aarde;
een lappendeken van groen en blauw.
Met naden van zwart.

In stilte kijk ik ondersteboven terug.
Hoe de zon en de zee bliksemend opensprongen,
en ik mij langzaam recht overeind zette.
Ik heb gehoord dat ik heb gezegd, in een huiverend donker beven:
Leven.

De stille oneindige getallen.
Vervormde figuren. Vreemde talen.
Natuurwetten. En natuurlijke.
Wat aarde is en wat mens.
Hoe dingen kapot gaan en helen.
Of gerepareerd worden. 

Hoe het lichaam de kloof dicht.

Schaduwen van grijs.
Gebouwen en mensen verlaten.
Dolen. En vinden.
Het asfalt nat van de regen,
in warm straatlantaarnlicht.

Ganzen zoeken.
In alles en op elke plek.

In de stilte ontworteld zijn, of losgeslagen.
Schuilen bij haardvuur. Een kamp opslaan.

Een boerderij in de mist.
Het bos helt over het zandpad in de nacht.
Gegrepen worden en gedreven.
Verslonden door eigen kolen, 
en weer stijgend uit as door vuur.

Een vluchtende adelaar geluidloos zwevend,
gaat zo ver mogelijk.
Alleen.

Stilte.
De horizon kantelt als ik hem nader.
En de stormwind legt zich neer.
Ben ik golf? Of zee?
Of slechts het witte zeil?

Een scheepsarts sterft aan land.
Een dichter vergaat in de golven.

Ik sta op een stenen eiland in de zon,
haar rotsen als naalden omhoog.
Ze slaan een kantwerk van schuim uit de golven,
en ik kijk de bloedrode avond in,
over het blauw van de tijd.

Een zilvergrijs was de steen die ik raapte,
als de schubben van een vis.
Dof klonk hij toen ik hem neerlegde,
an de andere kant van de toekomst.
In een houten kist.

Stilte.
De hemel leeg.
De sterren en de maan boven het strand.
Ik luister naar het niets, en hoe lang dat duurt.
Het tikken, het verstrijken, en de hele uren.
Zwijgend, en lang.

Een zacht vallen als ik opsta.
As op zand. Het vuur bijna uit.
Veren in verbleekte kleuren.
Maar met mijn ogen dicht zie ik een vervlogen vleugelslag.
Zwart.

Een geluid als ademen doorbreekt de stilte.
Het trage klapwieken van een droom.
Het ruisend heen en terug van de werkelijkheid.
Het verbinden wat alleen is, en het opvliegen naar boven.
Een wolk vormen. Een paar.

Hoger stijgen.
Het zwart het silhouet van kleur.
Het verlangen het bewegend weten.
Loskomen door omsloten te worden.
Doen wat niet denkbaar is.
Wel maakbaar.