Rene Magritte,  L’Empire des lumières , 1958

“Goed”, zegt zijn mentor, “maar wat vind je dan van de dingen die we in de lucht zien wanneer er wolken drijven,
de centauren en antilopen en wolven en paarden? Zijn dat ook werken der nabootsing? Is God een schilder die
zijn vrije tijd gebruikt om zich te amuseren met het maken van die dingen?”

Nee, besluiten de twee mannen, deze wolkvormen betekenen op zichzelf niets, ze ontstaan puur toevallig;
wij zijn het die, geneigd tot nabootsing, die voorstellingen in de wolken zien.

“Wil dat dan niet zeggen,” peilt Apollonius verder, “dat de kunst der nabootsing tweeledig is? Enerzijds ge-
bruikt ze hoofd en handen om nabootsing te vervaardigen, anderzijds maakt alleen de geest de gelijkenis,
nietwaar?” De geest van de beschouwer heeft eveneens een aandeel in de nabootsing.

Uit de biografie over Apollonius, een Grieks filosoof, geschreven door Philostratus (c.170 – c.245 AD)