Eerst waren er polders en boerderijen.
Het huis tegen de dijk gebouwd.
Het kanaal vlak en in de winter bevroren.
In de zomer scherpe distels tussen het gras.
Boterbloemen, berenklauw en klaver.

Daarna een statig huis aan de rand van een stad.
Parken met oude loofbomen en bochtige wandelpaden.
Smeedijzeren hekken en stil donkere vijvers.
Herfst met dauw en spinnenwebben.

Het duurde een paar winters.
En werd thuislozer.
Het dwalen begon.

Een nieuw voorjaar.
De villa van baksteen met de torentjes en hoge ramen.
Een avondklok. Corvee. Lijsten met maaltijden.
Sportvelden. De zon die vroeg opkwam over het terrein.
De eikenbomen. De gebouwen.
De bewoners die niet naar huis konden.

Daarna kwamen er kamers, onder schuine daken.
Oude koelkasten in de tuin.
Mos tussen betonnen tegels.

Een stad van grachten en poorten.
Later naar een flatgebouw naast een tankstation.
Bloembakken aan het stalen balkon.
Paars, lila, en wit.

Een voorjaar in stroboscopen licht.
De tocht naar het noorden, met haar zwarte akkers.
Een oude caravan in de luwte van de bomen.
Het broze deurtje af van de wind. 

Opnieuw een winter. 
De nachten koud.
Het lichtmetalen huis verlaten.
In westelijke richting.
Terug.

Het land eindigde bij zee.
De witte vuurtoren vierkant in de storm. 
In de nacht het rollend suizen van de branding.
Palen in de grond om het huis heen.
Gaten voor de aarde. 
Daarna de planten. Een hek. Een bankje. Een boom. 

Nog een keer afreizen.
Een intermezzo onder zware wolken. 
Een torenflat in een havenstad.
Een hete zomer met lange schaduwen. 
De toekomst in. 

Daarna het lange blijven.
Het vestigen aan zee.
De planten groeiden de tuin dichter.
Het zeelicht hemelhoog over de kerktorens.
Jaar na jaar. Seizoen na seizoen.

Tot een herfst waarin iemand de wereld verliet.
En het reizen weer begon.

Van west naar oost.
Van oost naar west.
Seizoen na seizoen.
Jaar na jaar. 

Op de hoek van de tuin staat nog steeds de boom.
Zeelicht strijkt over kerktorens.
En in het oosten rijst de zon elke dag boven het andere thuis.
Elke dag.